De geschiedenis van het dorp Huizen

Huizen wordt voor het eerst genoemd in de 14de eeuw, maar moet op dat moment al enige eeuwen oud zijn geweest. Het schijnt dat bewoning in Huizen begon met een nederzetting in het bos ten westen van de huidige voetbalvelden van de Zuidvogels en ten oosten van de Aalbergsweg. Toen lag Huizen dus echt “aan het water”. Het waren Friezen die daar aan land gingen om een conflict uit te vechten met de bisschop van Utrecht.

Ten gevolge van de voortdurende dreiging van het water vestigden deze eerste bewoners zich rond het jaar 1000 op hoger gelegen gebied, op en rond de keileem-bult waar nu de Oude Kerk staat. Drinkwater vinden was geen probleem: een pomp slaan naar het heldere grondwater kon je overal, waar de keileem niet te hard was of waar je om de oerbanken heen kon. (De enige zichtbare pomp is nu nog te zien aan de Zeeweg 38). De Friezen bouwden stenen woningen in plaats van plaggenhutten of houten hutten, vandaar de naam “Huysen in Goijlandt”.

Huizers zouden dus mede van Friese, Scandinavische, oorsprong zijn. Dat is behalve aan hun gestalte ook te merken aan de taal. Het Huizers is vrijwel identiek aan het dialect dat Blaricummers en Laarders spreken; het onderscheidt zich daarvan vooral door veel visserstaal. De Friese herkomst is ook te zien aan de kapconstructie van het dak van de Oude Kerk, m.n. het afgeplatte houten tongewelf.

De hoofdlijn van de geschiedenis van de mensen van het Oude dorp kan worden samengevat in de volgende vier typeringen: boeren, vissers, ondernemers, gelovigen.

Geef een reactie